Het spel
10-ball speel je met tien ballen, in de volgorde van hun nummer. Twee dingen maken het anders dan 9-ball: je zegt vooraf welke bal je in welke pocket speelt, en de 10 telt pas als hij de laatste bal op tafel is.
Opstelling
De tien ballen liggen strak in een driehoek. De 1 ligt vooraan op de punt, op de foot spot, en de 10 ligt in het midden van de driehoek. De rest ligt door elkaar, zonder patroon.
Let op het verschil met 9-ball: daar verhuisde de spot in 2025 naar de middelste bal, hier niet. Bij 10-ball ligt nog altijd de voorste bal op de foot spot.
Je ziet ook tafels met een tweede punt, waar de 10 op de spot komt te liggen. In de Belgische competitie gebeurt dat om het spel moeilijker te maken. Het staat niet in het WPA-reglement; speel je daarop, dan houd je de 1 op de spot.
De afstoot
Wie de toss wint, mag afstoten. Je legt de witte bal achter de opstootlijn en je moet de 1 als eerste raken. De afstoot telt als er een bal valt, of als er minstens vier ballen een band raken. Gebeurt geen van beide, dan is het een fout.
Met de 10 win je niet op de afstoot: valt hij, dan gaat hij terug op de foot spot en speel je gewoon verder.
De break box
Bij het officiële spel mag de witte bal bij de afstoot niet overal in de keuken liggen, maar alleen binnen een afgebakend vak: de break box. Hetzelfde vak als bij 9-ball.
foot spot en lijn
Door de foot spot loopt een kruis, met de lange lijn door tot de korte band. Moet de 10 terug op tafel, dan hoort hij op de foot spot; ligt daar een bal in de weg, dan schuift hij over die lijn naar achteren, zo dicht mogelijk bij de spot.

Push out
Direct na de afstoot mag de speler die aan de beurt is één keer een push out spelen. Je kondigt hem aan, en dan mag je de witte spelen waarheen je wil: je hoeft de laagste bal niet eerst te raken en er hoeft geen band geraakt te worden. Daarna kiest je tegenstander of hij zelf verder speelt of jou laat spelen.
Zeggen wat je speelt
Elke stoot na de afstoot geef je aan: welke bal, welke pocket. Hoe hij erin gaat — via een band, via een andere bal — hoeft er niet bij. Is het overduidelijk, dan hoef je niets te zeggen; twijfelt je tegenstander, dan mag hij het vragen. Anders dan bij 8-ball kun je bij 10-ball geen safety aangeven.
Pot je een bal die je niet had aangegeven, dan is dat geen fout. Je beurt is voorbij, de bal blijft weg, en je tegenstander kiest of hij zelf speelt of jou laat verderspelen.
Beurtorde
Je moet altijd eerst de laagste bal op tafel raken. Pot je de bal die je aangaf, dan blijf je aan de beurt, en alles wat daarbij mee valt blijft weg — behalve de 10, die gaat terug op de spot.
Fouten
- de witte bal potten of van de tafel stoten
- de witte met iets anders dan de pomerans raken
- de witte twee keer raken
- de witte duwen in plaats van stoten
- niet de laagste bal als eerste raken
- na de raking geen enkele band raken, zonder dat er een bal valt
- een bal van de tafel stoten
Bij een fout krijgt je tegenstander de witte in de hand: hij mag ze overal op de tafel neerleggen. Drie fouten na elkaar kosten je het rack.
Het einde van het spel
Je wint als je de 10 aangeeft en pot terwijl hij de enige bal op tafel is. Valt hij eerder — bij een fout, bij een push out, of omdat hij van de tafel gaat — dan gaat hij terug op de foot spot en gaat het spel door.